U bent hier

Quotum bij zorg- en opvoedingsregelingen van scheidingskinderen

De Belgische wetgeving van 18 juli 2006 dewelke het behoud van goede relaties met beide ouders na een (echt)scheiding nastreeft is binnen Europa in de vaderbeweging globaal genomen gekend als de beste wetgeving.  Toch stellen wij als Vaderinstituut de vraag of en in hoeverre die wet wordt toegepast.  Wij menen dan ook dat een evaluatie zich opdringt gelet op de signalen die wij ontvangen dat er nog teveel scheidingskinderen zijn die goede relatie met beide ouders verliezen na een (echt)scheiding of die een goede relatie met beide ouders niet meer kunnen opbouwen.

  • Hoeveel scheidingskinderen behouden goede contacten met hun ouders in de jaren na (echt)scheiding?
  • In hoeveel procent van de gevallen krijgt een vader, die om een gelijkmatig verdeelde huisvesting verzoekt in Vlaanderen, ze ook als moeder dit niet wil? (In het Franstalige gedeelte is gebleken dat dit slechts 30% is!)
  • Komen rechters hun verplichting na inzake informatie-voorziening inzake bemiddeling?
  • Hoe vaak wordt de term “huisvesting” gebruikt zowel in de rechtbank als bij de uitspraak?
  • Is er al een nieuwe richtlijn van de Kamer van Gerechtsdeurwaarders die een gedwongen tenuitvoerlegging wel mogelijk maakt en de vorige richtlijn te niet doet en hoe vaak wordt de gedwongen tenuitvoerlegging toegepast? 

Gezien wij wel een idee hebben over de stand van zaken, en die is niet zo rooskleurig, menen wij dat de stand van zaken dient onderzocht te worden.  Gelijktijdig verzoeken wij onze volksvertegenwoordigers en leden van regeringen om de nodige aandacht te schenken aan een voorstel om een quotum in minimale zorg- en opvoedingsregeling van scheidingskinderen te voorzien.  

Wij als Vaderinstituut menen dan ook dat wanneer men onder een vooropgestelde minimale regeling van huisvesting gaat, dit een te hoog risico inhoudt dat dit de goede relatie tussen het kind en de beide ouders in de weg staat of kan staan en het geen goede zaak is voor de vrede tussen de ouders.

 

Bijlage     

FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE

18 JULI 2006. - Wet tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind (1)


ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 2. Artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 april 1995, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
« § 2. Ingeval de ouders niet samenleven en hun geschil bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt, wordt het akkoord over de huisvesting van de kinderen door de rechtbank gehomologeerd, tenzij het akkoord kennelijk strijdig is met het belang van het kind.
Bij gebrek aan akkoord, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen.
Ingeval de rechtbank echter van oordeel is dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting, niet de meest passende oplossing is, kan zij evenwel beslissen om een ongelijk verdeeld verblijf vast te leggen.
De rechtbank oordeelt in ieder geval bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders. »

Art. 3. Artikel 387bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, wordt aangevuld met de volgende leden :
« Onverminderd artikel 1734 van het Gerechtelijk Wetboek, poogt de rechtbank de partijen te verzoenen. Zij verstrekt hen alle nuttige inlichtingen over de rechtspleging en in het bijzonder over het nut een beroep te doen op de in het zevende deel van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde bemiddeling. Indien zij vaststelt dat een toenadering mogelijk is, kan zij de schorsing van de procedure bevelen, teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden alle nuttige inlichtingen hierover in te winnen en het bemiddelingsproces op te starten. De duur van de schorsing mag niet meer dan één maand bedragen.
De rechtbank kan, zelfs ambtshalve, een voorafgaande maatregel bevelen teneinde de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen voor een termijn die zij vaststelt, voorlopig te regelen.
Ingeval een dergelijke vordering voor het eerst bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt, en behoudens overeenstemming van alle partijen en van de procureur des Konings, beslist de jeugdrechtbank over een voorlopige regeling. De zaak kan tijdens een latere zitting opnieuw worden onderzocht, op een datum die ambtshalve vastgelegd wordt in het vonnis, binnen een termijn die één jaar niet te boven mag gaan, en onverminderd een nieuwe oproeping op een vroegere datum, zoals is aangegeven in het volgende lid :
De zaak blijft ingeschreven op de rol van de jeugdrechtbank tot de kinderen op wie het geschil betrekking heeft, ontvoogd zijn of de leeftijd van wettelijke meerderjarigheid hebben bereikt. In geval van nieuwe elementen, kan de zaak opnieuw voor de rechtbank worden gebracht bij conclusie of bij een schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie.
Artikel 730, § 2, a), van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op deze zaken. »

Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 387ter ingevoegd, luidende :
« Artikel 387ter. § 1. Ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de huisvesting van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, kan de zaak opnieuw voor de bevoegde rechter worden gebracht. In afwijking van artikel 569, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, is de bevoegde rechter degene die de niet-nageleefde beslissing heeft gewezen, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt, in welk geval de vordering voor deze laatste wordt gebracht.
De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
Behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, kan hij onder meer :
- nieuwe onderzoeksmaatregelen verrichten, zoals een maatschappelijke enquête of een deskundigenonderzoek;
- een poging tot verzoening ondernemen;
- de partijen voorstellen gebruik te maken van de in artikel 387bis bepaalde bemiddeling.
Hij kan nieuwe beslissingen nemen met betrekking tot het ouderlijk gezag of de huisvesting van het kind.
Onverminderd strafvervolging kan hij de partij die het slachtoffer is van de miskenning van de in het eerste lid bedoelde beslissing toestaan een beroep te doen op dwangmaatregelen. Hij bepaalt de aard van deze maatregelen en de nadere regels betreffende de uitoefening ervan, rekening houdend met het belang van het kind en wijst, indien hij zulks nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissing.
De rechter kan een dwangsom uitspreken om te waarborgen dat de te nemen beslissing zal worden nageleefd en, in die hypothese, stellen dat voor de tenuitvoerlegging van die dwangsom, artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is.
De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.
§ 2. Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer de rechten van de partijen geregeld zijn door een overeenkomst zoals voorzien in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek. In dit geval, en onverminderd § 3, wordt de zaak bij de rechtbank aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
§ 3. In geval van absolute noodzaak, en onverminderd de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, kan bij eenzijdig verzoekschrift de toestemming worden gevraagd om een beroep te doen op de dwangmaatregelen als bedoeld in § 1. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. De verzoekende partij moet het verzoekschrift staven met alle dienstige stukken die aantonen dat de weigerende partij daadwerkelijk werd aangemaand haar verplichtingen na te komen en dat zij zich heeft verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing.
De inschrijving van het verzoekschrift is kosteloos. Het verzoekschrift wordt gevoegd bij het dossier van de rechtspleging die aanleiding heeft gegeven tot de beslissing die niet werd nageleefd, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt.
§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de internationale bepalingen die België verbinden op het vlak van de internationale ontvoering van kinderen. »

HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 5. Artikel 1412, eerste lid,van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1987 en 14 januari 1993, wordt aangevuld als volgt :
« 3° wanneer de rechter artikel 387ter, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft toegepast. »
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 18 juli 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
_______
Nota's
(1) Gewone zitting 2004-2005.
Kamer van volksvertegenwoordigers.
Parlementaire stukken. - Wetsontwerp, nr. 51-1673/001 van 17 maart 2005. - Amendementen, nr. 51-1673/002 tot 006.
Gewone zitting 2005-2006
Parlementaire stukken. - Amendementen, nr. 51-01673/007 tot 13. - Verslag namens de subcommissie, nr. 51-1673/14 - Amendementen, nrs. 51-1673/15 tot 17. - Verslag namens de commissie, nr. 51-1673/18. - Tekst aangenomen door de commissie, nr. 51-1673/19. - Amendementen, nr. 51-1673/20. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, nr. 51-1673/21.
Integraal Verslag. - Vergadering van 30 maart 2006.
Senaat.
Parlementaire stukken. - Ontwerp geëvoceerd door de Senaat, nr. 3-1645/1. - Amendementen, nr. 3-1645/2 tot 3. - Verslag namens de commissie, nr. 3-1645/4. - Tekst verbeterd door de commissie, nr. 3-1645/5. - Amendementen, nr. 31645/6. - Beslissing om niet te amenderen, nr. 31645/7.
Parlementaire Handelingen : 8 juni 2006.

 

Verder: inzake evaluatie een parlementair antwoord:

01.03 Staatssecretaris Melchior Wathelet

(Nederlands): De wet van 18 juli 2006 is van kracht sinds 14 september 2006 en schuift een gelijkmatig verdeeld verblijf bij elk van de ouders als algemeen model naar voren. De wet voorziet ook in een regeling voor de gedwongen tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing. Het is niet bekend in hoeveel echtscheidingszaken de gedeelde

verblijfsregeling wordt opgelegd, noch in welke mate de partijen voor bemiddeling worden doorverwezen. Ik heb geen weet van een onderzoek naar de voorwaarden voor het welslagen van co-ouderschap met gedeelde verblijfsregeling en evenmin over onderzoek naar de gevolgen van dit soort co-ouderschap op het welbevinden van de
kinderen. Wel zijn er verschillende onderzoeken inzake scheiding aan de gang. Een onderzoek
wordt gevoerd door de KULeuven en de UGent betreffende de factoren die de levenskwaliteit na de scheiding bepalen. De studie betreft zowel de scheiding bij gehuwde als bij niet-gehuwde koppels en de resultaten worden midden 2009 verwacht. Bij een ander onderzoek zijn diverse universiteiten en de studiedienst van de Vlaamse regering betrokken. De bedoeling van dit onderzoek is een verhoging van de levenskwaliteit na een scheiding, een verbetering van de dienstverlening bij scheiding en een ondersteuning van het beleid inzake scheiding. Ook de resultaten van deze studie worden midden 2009 verwacht. Een brede evaluatie van de wet zal
dus moeten wachten tot 2010.

bron: http://www.lachambre.be/doc/CCRA/html/52/ac228.html

 

Onderstaande cijfers zijn hallucinant en wijs naar tabel 7 blz. 20 en 21 van het LAGO onderzoeksrapport.

20,6% v/d scheidingskinderen heeft geen contact meer met vader 8,8% minder dan 1 maal per maand en 36,1% van de  gescheiden ouders hebben nooit contact over het wel en wee inzake zorg en opvoeding van hun kinderen.

bron: Onderzoeksrapport Het Leuvens Adolescenten- en Gezinsonderzoek 2009 - 2010 Sofie Vanassche - An Katrien Sodermans - Koen Matthijs

http://www.f4j.be/doc/pdf/110922_LAGOOnderzoeksrapportronde2.pdf