U bent hier

Intergenerationele overdracht van echtscheidingskansen

Scheidingen werken in hun gevolgen voor de kinderen generaties lang door. Uit dit CBS-onderzoek blijkt dat personen die een ouderlijke echtscheiding hebben meegemaakt een veel grotere kans hebben om zelf te scheiden als personen die geen gescheiden ouders hebben. Dit komt overeen komt met resultaten uit eerdere onderzoeken. De echtscheidingskans voor echtparen waarvan de ouders van beide partners gescheiden zijn is drie keer zo groot als voor echtparen waarvan de ouders van beide partners nooit gescheiden zijn. De echtscheidingskans van echtparen waarvan één van de partners een ouderlijke echtscheiding heeft meegemaakt, is twee keer zo groot als die voor echtparen met nooit gescheiden ouders. Verder bleek dat hoe jonger de ouderlijke echtscheiding wordt meegemaakt, hoe groter de kans van het kind om later zelf te scheiden.

 

Echtscheiding van ouders en kinderen

Centraal Bureau voor de Statistiek; CBS - Bevolkingstrends, Liesbeth Steenhof en Kees Prins; 4e kwartaal 2005

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/mens-maatschappij/bevolking/publicaties/artikelen/archief/2005/2005k4b15p047-art.htm

 Dit onderzoek beschrijft de uitkomsten van een onderzoek naar de intergenerationele overdracht van echtscheidingskansen. Uit eerder survey-onderzoek is al bekend dat de kans op echtscheiding voor kinderen met gescheiden ouders groter is dan voor kinderen met ouders die bijeen zijn gebleven. Het huidige onderzoek biedt nieuwe, gedetailleerde informatie over deze intergenerationele overdracht. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar onder meer de huwelijksgeschiedenis van de ouders van beide partners en de leeftijd van het kind bij echtscheiding. Waar mogelijk wordt ook onderscheid gemaakt naar huwelijkscohort en huwelijksduur.

 

1. Inleiding

2. Eerder onderzoek

3. Methode

4. Onderzoeksresultaten

5. Conclusie

 


1. Inleiding

 Uit verschillende onderzoeken is bekend dat kinderen die een echtscheiding van hun ouders hebben meegemaakt, zelf een hogere kans hebben om te scheiden (onder andere McLannahan en Bumpass, 1988). Doel van het hier gepresenteerde onderzoek is nieuwe, gedetailleerde informatie te verschaffen over deze intergenerationele overdracht. Dit is mogelijk doordat er nu een uniek, zeer groot databestand van ouders en kinderen beschikbaar is, op basis van informatie uit de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Daarmee kunnen nieuwe aspecten van de overdracht van echtscheiding aan het licht worden gebracht. Door het grootschalige karakter van het databestand kunnen gedetailleerde resultaten worden afgeleid en spelen steekproeffluctuaties geen rol. In dit onderzoek wordt onderscheid gemaakt naar kenmerken als huwelijksgeschiedenis van de ouders van beide partners en de leeftijd van het kind bij echtscheiding. Waar mogelijk wordt ook onderscheid gemaakt naar huwelijkscohort en huwelijksduur. Het onderzoek geeft antwoord op de volgende vragen:

     is er verschil in echtscheidingskans tussen personen die een echtscheiding van hun ouders hebben meegemaakt en personen die geen echtscheiding van de ouders hebben meegemaakt, maar van wie de ouders wel in een eerdere relatie zijn gescheiden?

     is er verschil in echtscheidingskans voor echtparen waarvan de ouders van beide partners zijn gescheiden en echtparen waarvan alleen de ouders van een van beide partners zijn gescheiden?

     is er verschil in echtscheidingskans voor personen die de echtscheiding van hun ouders op jonge leeftijd hebben meegemaakt en personen die bij deze gebeurtenis al ouder waren?

     wordt het meemaken van meerdere echtscheidingen ook overgedragen van ouder op kind?

 

2. Eerder onderzoek

 Tot dusver was onderzoek naar intergenerationele overdracht van echtscheiding gebaseerd op steekproeven. De meeste van deze onderzoeken richtten zich op de relatievorming en -ontbinding van degenen die opgroeiden in een eenoudergezin (na scheiding) en van degenen die opgroeiden in een tweeoudergezin.

 McLannahan en Bumpass (1988) vinden op basis van een grote Amerikaanse steekproef dat vrouwen uit eenoudergezinnen die zijn ontstaan door echtscheiding een grotere kans hebben om hun huwelijk in een scheiding te zien eindigen dan vrouwen uit tweeoudergezinnen. Dat intergenerationele overdracht van echtscheiding een wijdverbreid fenomeen is, bewijzen Diekman en Schmidheiny (2004) in hun steekproefonderzoek in 15 landen in West- en Oost-Europa en in Noord-Amerika. In al deze landen is een significante intergenerationele overdracht van echtscheiding gevonden. Gemiddeld hebben kinderen met gescheiden ouders in dit onderzoek een scheidingskans die twee keer zo groot is als die van kinderen van wie de ouders niet gescheiden zijn. De Graaf (1996, 2002) onderschrijft deze bevindingen op basis van het Nederlandse Onderzoek Gezinsvorming. Uit zijn onderzoek blijkt dat personen die een echtscheiding van hun ouders hebben meegemaakt in Nederland een anderhalf keer zo grote kans hebben om zelf een relatieverbreking mee te maken dan personen die geen echtscheiding van hun ouders hebben meegemaakt. Hij voegt hieraan toe dat personen uit gezinnen waarin de ouders vaak ruzie hebben even vaak een relatie beeindigen als personen die thuis een echtscheiding van de ouders hebben meegemaakt. De kans om uit elkaar te gaan is voor personen uit gezinnen met ouderlijke conflicten ongeveer twee keer zo groot als voor personen uit niet-conflictueuze gezinnen. Zijn conclusie is dan ook dat de afwezigheid van een stabiele omgeving in het ouderlijk gezin belangrijker is dan de vraag of de ouders wel of niet uit elkaar gaan.

 Fischer en De Graaf (2001) onderzochten of het verband tussen een ouderlijke echtscheiding en de levensloop van kinderen werkelijk het gevolg is van echtscheiding. Zij hielden rekening met de gezinssituatie zoals die vóór de scheiding bestond, en kwamen tot de conclusie dat het standhouden van de eigen relatie negatief wordt beïnvloed door een ouderlijke echtscheiding. Dit effect wordt kleiner als gecorrigeerd wordt voor conflicten tussen de ouders, maar verdwijnt niet geheel.

 Uit literatuuronderzoek van Spruijt et al. (2002) blijkt dat de leeftijd van het kind ten tijde van de scheiding in het algemeen geen groot verschil maakt, omdat in alle leeftijdsgroepen de negatieve effecten van scheiding zichtbaar zijn. Met betrekking tot sociaal gedrag zijn er geen verschillen gevonden tussen kinderen die de scheiding op jonge en op latere leeftijd hebben meegemaakt. Op basis van deze onderzoeksresultaten zou men kunnen aannemen dat de leeftijd van het kind bij echtscheiding van de ouders weinig uitmaakt voor de eigen echtscheidingskans.

 McLannahan en Bumpass (1988) zetten drie belangrijke verklaringen voor de overdracht van echtscheiding van ouders op kinderen naast elkaar. De eerste verklaring is de ‘economische deprivatie-theorie’. Gescheiden ouders hebben minder tijd en minder geld om aan hun kinderen te besteden, waardoor zij minder kansen krijgen qua opleiding en beroep. Deze slechtere economische omstandigheden kunnen de kans op echtscheiding vergroten. Een andere verklaring is de ‘socialisatietheorie’. Socialisatie in het ouderlijk gezin leidt tot bepaalde waarden, normen en gedrag bij de kinderen. Kinderen nemen het gedrag van de ouders over, inclusief het gedrag binnen een relatie, waardoor kinderen met gescheiden ouders zelf een grotere kans hebben om te scheiden. De derde verklaring is de ‘stresstheorie’. In deze theorie vormt de stress waarmee de echtscheiding van de ouders gepaard gaat een ‘push’ factor voor de kinderen om jong uit huis te gaan, jong te trouwen en jong kinderen te krijgen. Dit verhoogt de kans op een echtscheiding.

 Naast deze drie theorieën dient nog de ‘erfelijkheidstheorie’ te worden genoemd. Uit verscheidene onderzoeken is gebleken dat naast de omgevingsfactoren genetische factoren een rol spelen in de kans op echtscheiding. Bepaalde karaktereigenschappen vergroten de kans op echtscheiding, terwijl andere karaktereigenschappen deze kans juist verkleinen. McGue en Lykken (1992) vonden in een onderzoek onder Amerikaanse een- en twee-eiige tweelingen dat de mate waarin broers en zussen scheiden meer overeenkomt bij eeneiige dan bij twee-eiige tweelingen. In een latere studie met Jockin (1996) vonden ze dat neurotisch en extravert gedrag positief correleren met echtscheiding, terwijl geremdheid en echtscheiding negatief correleren. Ook Cramer (1993) vond in Groot-Brittannië soortgelijke resultaten, maar alleen voor vrouwen. De mate van extravert en neurotisch gedrag was onder gescheiden vrouwen groter dan onder niet-gescheiden vrouwen.

 Dat echtscheiding in een bepaalde mate ‘geërfd’ wordt, is duidelijk, en dit effect zal nog groter zijn als de ouders van beide partners gescheiden zijn. Op grond van de socialisatietheorie en de erfelijkheidstheorie maakt het voor de overdraagbaarheid van echtscheiding niet veel uit of de kinderen de echtscheiding wel of niet hebben meegemaakt. Ouders hebben bepaalde karaktereigenschappen of gaan op een bepaalde manier met elkaar om, waardoor de kans op echtscheiding vergroot is. Deze vergrote kans geven ze door aan hun kinderen. Het is op grond van deze theorieën te verwachten dat een kind dat geen echtscheiding van de ouders heeft meegemaakt, maar van wie de ouders wel een eerdere relatie ontbonden, eveneens een verhoogde kans heeft om zelf te scheiden. Ook de kans om meerdere keren te scheiden zal volgens deze theorieën verhoogd zijn voor kinderen met ouders die vaker gescheiden zijn.

 

3. Methode

 3.1 Het ouder-kind-bestand

 Het grote databestand dat als basis heeft gediend voor dit onderzoek naar de intergenerationele overdracht van echtscheiding, wordt aangeduid als ouder-kind-bestand. Dit door het CBS samengestelde bestand bevat, in eerste instantie voor de toestand op 1 januari 2002, voor zoveel mogelijk inwoners van Nederland behalve het eigen A-nummer, die van de beide ouders. Het A-nummer is een uniek identificatienummer dat aan iedere persoon die in de GBA is ingeschreven, wordt toegekend. Dit bestand biedt de mogelijkheid om gegevens van ouders en kinderen, voorzover bekend, met elkaar in verband te brengen. Daarbij kan het gaan om verbanden tussen demografische variabelen, zoals kindertal, verhuisgedrag en leeftijd bij overlijden, maar ook om toepassingen buiten de demografie.

 De kracht van het ouder-kind-bestand is gelegen in de omvang. Sinds de laatste volkstelling in 1971 heeft het CBS niet langer de beschikking gehad over een bestand dat op vrijwel integrale basis intergenerationeel onderzoek mogelijk maakt. Het huidige onderzoek, dat betrekking heeft op het verband tussen de huwelijkshistorie van personen en

die van hun ouders, is in Nederland nog niet eerder op deze schaal uitgevoerd.

 In de GBA worden al relaties tussen personen gelegd. Behalve over een persoon zelf bevat de GBA namelijk gegevens over diens ouder(s), de (ex-)partner(s) en de kinderen. Deze mensen staan bekend onder de verzamelterm ‘gerelateerden’. Van een gerelateerde worden onder meer de naam, de geboortedatum, het geslacht en het geboorteland opgenomen. Ook wordt het A-nummer vermeld, mits voldaan is aan de voorwaarde dat de gerelateerde ooit is ingeschreven in de GBA en dat de persoon en de gerelateerde op enig moment na 1 oktober 1994 waren ingeschreven in dezelfde gemeente. Laatstgenoemde voorwaarde heeft ermee te maken dat gemeenten alleen verbanden hoeven te leggen tussen persoonslijsten die in hun eigen basisadministratie aanwezig zijn. Een persoonslijst is het geheel van de gegevens die over een persoon in de GBA zijn vastgelegd.

 Een en ander leidt ertoe dat niet van iedere persoon in de GBA de A-nummers van de ouders bekend zijn. Van veel oudere mensen zijn de ouders al voor 1 oktober 1994 overleden. Ook degenen die vóór 1 oktober 1994 het ouderlijk huis hebben verlaten en in een andere gemeente zijn gaan wonen, missen op hun persoonslijst de A-nummers van de ouders. Van immigranten van wie de ouders niet in Nederland komen wonen, ontbreekt op de persoonslijst eveneens de A-nummerverwijzing naar de ouders. In voorkomende gevallen worden de A-nummers op enig moment alsnog toegevoegd, bijvoorbeeld als door verhuizing of door een gemeentelijke herindeling ouders en kind (weer) in dezelfde gemeente terechtkomen, of als de ouders van de immigrant zich bij hun kind in Nederland vestigen.

 Het zoeken naar de ouders kon worden geconcentreerd rond de mensen die vóór 1980 zijn geboren. Een gelukkige omstandigheid is dat in die jaren de buitenechtelijke vruchtbaarheid nog zeer beperkt was. Van vrijwel iedereen die voor 1980 is geboren, waren de ouders dus met elkaar getrouwd. De eerste stap van het zoekproces bestond daarom uit het formeren van echtparen, inclusief echtparen van wie het huwelijk is ontbonden. De echtparen zijn samengesteld op basis van de huwelijksdatum en de geboortedatum van de partner. Van iedereen die in de GBA is ingeschreven, zijn deze gegevens immers bekend.

 De tweede stap van het zoekproces bestond uit het vinden van een ouderpaar bij een kind. Langs deze weg is een bestand van 7,3 miljoen personen gecreëerd waarin behalve het eigen A-nummer de A-nummers van de beide ouders zijn vastgelegd.

 De kwaliteit van het bestand is nagegaan met behulp van de leeftijdsverdeling, de buitenechtelijke vruchtbaarheid, het leeftijdsverschil met de moeder, het aantal vrouwen naar kindertal, het aantal personen naar aantal gesloten huwelijken en het leeftijdsverschil tussen de huwelijkspartners. Deze controle wees uit dat de kwaliteit van het bestand hoog is (Prins, 2004).

 Vanaf ongeveer leeftijd 20 wordt het percentage personen met twee gevonden ouders met het oplopen van de leeftijd steeds kleiner. Tussen leeftijd 35 en 40 neemt dit percentage fors af. Voor ruim de helft van de 35-jarigen zijn twee ouders gevonden, terwijl dit voor de 40-jarigen nog maar een op de drie is.

 3.2 Gegevens

 Voor deze analyse zijn de huwelijksgeschiedenissen van alle personen (kinderen en ouders) in het ouder-kind-bestand bijeengezocht. Vervolgens zijn alleen de personen (kinderen) die ooit gehuwd, maar nooit verweduwd zijn, met ooit-gehuwde ouders geselecteerd. Er blijven 1,6 miljoen van de 7,3 miljoen kinderen in het ouder-kindbestand over.

 Ondanks de grootschaligheid van het ouder-kind-bestand moet er bij deze echtscheidingsanalyses toch rekening worden gehouden met enige selectiviteit van de groep personen uit het ouder-kind-bestand. Vooral oudere geboortecohorten, en dus oude huwelijkscohorten, zijn ondervertegenwoordigd in het bestand. Hoe ouder een persoon is, hoe groter de kans dat één of beide ouders niet meer in leven is/zijn en deze personen dus niet meer deel uitmaken van het ouder-kind-bestand. Jonge geboorte- en huwelijkscohorten zijn wel goed vertegenwoordigd. 

 

 Staat 1 toont de verdeling voor de huwelijkscohorten van de personen (kinderen) in het ouder-kind-bestand en voor totaal Nederland. De aantallen voor totaal Nederland zijn gebaseerd op het aantal huwende personen in een bepaald jaar. Personen kunnen in de tussenliggende periode overleden of geëmigreerd zijn. Deze cijfers zijn daarom niet volledig vergelijkbaar met de aantallen in het ouder-kind-bestand, maar geven wel een indicatie van de vertegenwoordiging per huwelijkscohort. Naast een ondervertegenwoordiging van de oude huwelijkscohorten ligt ook een ondervertegenwoordiging van het aantal gescheiden ouders voor de hand. Gescheiden ouders zullen vaker niet meer te traceren en te combineren zijn dan ouders die nooit gescheiden zijn. Van gescheiden ouders zal een deel naar het buitenland verhuisd en dus niet meer vindbaar zijn, terwijl nog steeds gehuwde ouders voor het merendeel op hetzelfde adres wonen. Omdat er een relatie bestaat tussen echtscheiding van de ouders en de kinderen, betekent dit dus ook dat het aantal gescheiden kinderen ondervertegenwoordigd zal zijn in het ouder-kind-bestand.

 Aangenomen dat de groep van gescheiden ouders die geen deel uitmaken van het ouder-kind-bestand niet selectief is, zal het verschil in echtscheidingskans tussen kinderen met en zonder gescheiden ouders hierdoor niet beïnvloed worden. Ondanks deze ondervertegenwoordiging is het totale aantal nog steeds zeer groot (staat 2). In het ouder-kind-bestand zijn 212 duizend kinderen (13 procent) ooit gescheiden. Bijna 190 duizend van de kinderen hebben minstens één ouder die ooit gescheiden is. Bij 163 duizend van hen betreft het een scheiding tussen beide ouders (deze kinderen hebben dus daadwerkelijk een scheiding van hun ouders meegemaakt). 

 

4. Onderzoeksresultaten

 Omdat huwelijksduur een belangrijke onderscheidende variabele is, wordt in de analyses onderscheid gemaakt naar huwelijkscohorten. In dit artikel is, voor de overzichtelijkheid en om toevalsfluctuaties te verminderen, ervoor gekozen om de resultaten van een selectie van 5-jaars-huwelijkscohorten te presenteren. Gezien de omvang en de duur van de huwelijkscohorten, zijn de cohorten van 1977–1981 tot en met 1992–1996 geselecteerd. De huwelijksduren van deze cohorten liepen op 1 januari 2002 van 20 jaar voor het cohort 1977–1981 tot 5 jaar voor het cohort 1992–1996.

 Echtscheiding uit een eerdere relatie

 Uit staat 3 blijkt dat voor alle huwelijkscohorten geldt dat de kans op echtscheiding van kinderen die een echtscheiding van de ouders hebben meegemaakt ruim twee keer zo groot is als die van kinderen zonder gescheiden ouders. Van cohort 1977–1981 is na 20 jaar nog geen 20 procent van de kinderen zonder gescheiden ouders zelf gescheiden, tegen ruim 40 procent van de kinderen met gescheiden ouders. Bij het jongste huwelijkscohort zijn deze aandelen na 5 jaar 7, respectievelijk 16 procent. Deze resultaten komen dus zeer goed overeen met resultaten uit eerdere onderzoeken.

 

 Eén of beide ouders kunnen ook uit een eerdere relatie gescheiden zijn. Na deze scheiding zijn ze weer hertrouwd en hebben ze één of meer kinderen gekregen. Deze kinderen hebben geen echtscheiding van hun ouders meegemaakt, hoewel ten minste één van hun ouders wel ooit gescheiden is. Uit staat 3 blijkt dat deze kinderen ook een hogere kans hebben om zelf een echtscheiding mee te maken vergeleken met kinderen van wie de ouders nooit gescheiden zijn. Deze percentages benaderen die voor kinderen die de echtscheiding van hun ouders wel hebben meegemaakt.

 Om het verschil in niveau duidelijk te maken, zijn in grafiek 1 de cumulatieve echtscheidingspercentages per huwelijksduur voor twee 5-jaars-huwelijkscohorten weergegeven. Duidelijk is dat de echtscheidingstrends voor beide cohorten gelijk is, maar dat het niveau voor het jongere huwelijkscohort wel iets boven die van het oudere cohort ligt.

 

 Huwelijksgeschiedenis ouders van beide partners

 Als voor een individueel persoon de echtscheidingskans twee keer zo groot is als hij of zij een ouderlijke echtscheiding heeft meegemaakt, hoe groot zal de echtscheidingskans van een echtpaar dan zijn als beide partners een echtscheiding van hun ouders hebben meegemaakt? Staat 4 laat zien dat deze kans ongeveer anderhalf keer zo groot is als die voor echtparen van wie één partner een ouderlijke echtscheiding heeft meegemaakt.

 

 

 Na 20 jaar is ruim de helft van de echtparen waarvan de ouders van beide partners zijn gescheiden uit elkaar. Voor de echtparen van wie de ouders van één van de partners zijn gescheiden, ligt dit aandeel 20 procentpunten lager, op ruim 30 procent. Iets meer dan 15 procent van de echtparen waarvan beide partners geen echtscheiding van de ouders hebben meegemaakt is na 20 jaar gescheiden.

 Vergeleken met echtparen waarvan de ouders van beide partners nooit gescheiden zijn, hebben echtparen van wie beide partners een ouderlijke echtscheiding hebben meegemaakt of waarvan één van de partners een ouderlijke echtscheiding hebben meegemaakt een ruim drie keer, respectievelijk ruim twee keer zo grote kans om zelf te scheiden. Dit geldt voor alle huwelijksduren, maar voor de kortere huwelijksduren lijkt het verschil iets groter dan voor de langere huwelijksduren. Zo blijkt uit grafiek 2 dat van cohort 1987–1991 11 procent van de echtparen van wie de ouders van beide ouders nooit gescheiden zijn na tien huwelijksjaren zijn gescheiden. Dit aandeel ligt voor echtparen van wie de ouders van een van de partners zijn gescheiden of van wie de ouders van beide partners zijn gescheiden op 26, respectievelijk 41 procent.

 

 

 Leeftijd kind bij echtscheiding ouders

 Staat 5 laat zien dat er verschil is in echtscheidingskans naar de leeftijd waarop kinderen de echtscheiding van hun ouders meemaken. Het meemaken van een echtscheiding op jonge leeftijd verhoogt de kans van het kind om later zelf ook te scheiden. Bijna de helft van de kinderen die jonger waren dan 5 jaar toen hun ouders uit elkaar gingen, zijn binnen 20 jaar huwelijk zelf gescheiden, tegen nog geen 40 procent van de kinderen die al volwassen waren toen hun ouders uit elkaar gingen.

 

 Tussen de vier onderscheiden leeftijdsgroepen bestaan geen grote verschillen. De verschillen zijn echter zichtbaar bij alle huwelijkscohorten, en het verschil tussen de jongste en de oudste leeftijdsgroep is wel aanzienlijk. Voor alle huwelijkscohorten geldt een verschil in echtscheidingspercentage van ongeveer 10 procentpunten tussen kinderen die vóór hun vijfde verjaardag een echtscheiding meemaken of pas na hun achttiende. In grafiek 3 is te zien dat er in dit opzicht tussen de verschillende huwelijkscohorten weinig verschil is.

 

 

 

Meerdere echtscheidingen

 Grafiek 4 laat zien dat ook het aantal echtscheidingen lijkt te worden ‘overgedragen’ van ouders op kinderen. Hoewel het aandeel kinderen dat zelf meerdere keren een echtscheiding heeft meegemaakt een kleine minderheid betreft, is duidelijk een toename te zien in de kans om meerdere keren te scheiden naarmate de ouders vaker gescheiden zijn. Van huwelijkscohort 1977–1981 is na 20 jaar 14 procent van de kinderen met ouders die beiden meer dan één keer zijn gescheiden, zelf ook meerdere keren gescheiden. Voor kinderen met ouders die nooit gescheiden zijn, is dit 2 procent. Deze aandelen zijn voor huwelijkscohort 1987–1991 na 10 jaar 5 en 1 procent.

 

5. Conclusie

Uit dit onderzoek blijkt dat personen die een ouderlijke echtscheiding hebben meegemaakt een twee keer zo grote kans hebben om zelf te scheiden als personen die geen gescheiden ouders hebben.

Dit komt overeen komt met resultaten uit eerdere onderzoeken. Dit wijst erop dat mogelijke selectiviteit in het onderzoeksbestand voor dit onderwerp geen overheersende rol speelt.

 Voorts blijkt dat degenen die geen ouderlijke echtscheiding hebben meegemaakt, maar van wie minstens één ouder wel ooit uit een eerdere relatie is gescheiden, ook een bijna twee keer zo grote kans hebben om zelf te scheiden.

 Wordt naar echtparen gekeken, dan is de echtscheidingskans voor echtparen waarvan de ouders van beide partners gescheiden zijn drie keer zo groot als voor echtparen waarvan de ouders van beide partners nooit gescheiden zijn. De echtscheidingskans van echtparen waarvan één van de partners een ouderlijke echtscheiding heeft meegemaakt, is twee keer zo groot als die voor echtparen met nooit gescheiden ouders.

 Hoe jonger de ouderlijke echtscheiding wordt meegemaakt, hoe groter de kans van het kind om later zelf te scheiden. Deze verschillen naar leeftijd zijn echter niet erg groot. Een aanzienlijk deel van de kinderen die al volwassen waren toen hun ouders gingen scheiden, woonde toen niet meer thuis, waardoor de echtscheiding waarschijnlijk een veel minder grote invloed op hun leven heeft gehad.

 

Literatuur

          Cramer, D., 1993, Personality and marital dissolution. Personality and Individual Differences 14(4), blz. 605–607.

          Diekman, A. en K. Schmidheiny, 2004, The intergenerational transmission of divorce. Results from a fifteen-country study with the fertility and family survey.

          Fischer, T. en P.M. de Graaf, 2001, Ouderlijke echtscheiding en de levensloop van kinderen; negatieve gevolgen of schijnverbanden? Sociale Wetenschappen 44(2), blz. 138–163.

          Graaf, A. de, 1996, De invloed van echtscheiding van de ouders op relaties van jongeren. Maandstatistiek van de Bevolking 44(8), blz. 7–12. CBS, Voorburg/Heerlen.

          Graaf, A. de, 2002, De invloed van het ouderlijk gezin op relaties van jongeren. Maandstatistiek van de Bevolking 50(1), blz. 4–8. CBS, Voorburg/Heerlen.

          Jockin, V., M. McGue en D.T. Lykken, 1996, Personality and divorce: a genetic analysis. Journal of Personality and Social Psychology 71(2), blz. 288–299.

          McGue, M. en D.T. Lykken, 1992, Genetic influence on risk of divorce. American Psychological Society 3(6), blz. 368–373.

          McLanahan, S. en L. Bumpass, 1988, Intergenerational consequences of family disruption. American Journal of Sociology 94(1), blz. 130–152.

          Prins, K, 2004, Speuren naar ouders. Eindrapport, interne notitie. CBS, Voorburg.

          Spruijt, E., H. Kormos, C. Burggraaf en A. Steenweg, 2002, Het verdeelde kind: literatuuronderzoek omgang na scheiding. Universiteit Utrecht, Utrecht.

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek; CBS - Bevolkingstrends, Liesbeth Steenhof en Kees Prins; 4e kwartaal 2005

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/mens-maatschappij/bevolking/publicaties/artikelen/archief/2005/2005k4b15p047-art.htm